Symbiotische masker: versmelten en autonomie

3. Het Symbiotische masker: versmelten en autonomie

Mensen met het Symbiotische masker zijn ware kameleons en allemansvrienden. Ze kunnen met iedereen overweg. Ze voelen perfect aan welk gedrag en visie welkom zijn in de omgeving waar ze zich op dat moment bevinden. Ze zijn erg geïnteresseerd en spreken je zelden tegen. Ze voelen je haarfijn aan en geven erkenning aan alles wat ze bij je waarnemen. Fijnere toehoorders kan je je bijna niet voorstellen.

Als je ze wat langer kent valt het op dat ze wat eigenheid missen. Ze vragen je het hemd van het lijf maar vertellen zelden iets over zichzelf. Ze waaien met alle winden mee en elke keer dat je ze de vraagt “wat wil jij?”, antwoorden ze met “beslis jij maar”. Ze kunnen niet anders dan met je versmelten. Ze zijn als kind vaak te weinig gestimuleerd hun autonomie te ontwikkelen en hebben daardoor weinig zicht op wie ze zelf zijn of wat ze willen.

Doordat ze weinig geleerd hebben over de afscheiding tussen ‘ik’ en ‘de ander’, kunnen ze ook geen onderscheid maken tussen hun problemen en die van jou. Dit maakt ze soms bemoeizuchtig, betuttelend en dramatisch.

3.1 Kwaliteit
De Symbioten is enorm gevoelig voor sfeer. Als ze een ruimte binnenkomt voelt ze precies wat er speelt en wat er nodig is om tot meer verbinding en harmonie te komen. Het zijn ware teamspelers en verbinders.

Energetisch kunnen ze voorbij de grenzen van anderen reizen en haarfijn voelen wat er speelt, zelfs als er niets over wordt gezegd. Dit werkt soms ook op afstand: ze kunnen voelen dat een geliefde verdrietig of in gevaar is.

3.2 Kenmerken

3.2.1 Te weinig ‘ik’
De natuurlijke symbiose uit haar vroege kindertijd is onvoldoende doorbroken. Autonomie heeft te weinig kans gekregen en is daarom maar beperkt ontwikkeld. Omdat er zo weinig ‘eigen’ ruimte is, is haar aandacht meestal bij de ander. Het kost dan veel moeite om bij haarzelf terug te komen.

Die beperkt basis van ‘ik’ uit zich ook in twijfel en moeite met keuzes. Zonder contact met haar ‘ik’ met voorkeuren, doelen en verlangens is kiezen een onmogelijke opgave.

3.2.2 Rebellie
Op de oppervlakte zal de symbioot zich altijd schikken en meegaan in de wensen van de ander. Op een diepere laag ontstaat er vaak gedoe en rebellie. Ze zegt dan in de eerste plaats ‘ja’ en vervolgens komen er terloopse tegenwerpingen en tegengestelde ideeën.

3.2.3 Grensvervaging
Het beperkte gevoel van ‘ik’ maakt dat de afscheiding tussen ‘ik’ en ‘de ander’ vaag is. Problemen of verlangens van de ander voelen vaak aan als haar verantwoordelijkheid. Ze heeft dan een sterke neiging dit te gaan ‘fixen. Doordat ze zo op de ander gericht is, dáár dingen aan het ‘fixen’ is en teveel in de anders ruimte komt, ontstaat er onrust en verwarring over wie waar verantwoordelijk voor is. Ze versmelt dan zo met de ander dat ze samen een bolletje wol worden waar niemand meer van weet waar het begin en het eind zit.

3.2.2 Angst voor disharmonie
De Symbioot is bang voor wrijving, ruzie en onenigheid. De harmonie en eenheid móet bewaakt worden. Ook onenigheid waar ze niets mee te maken heeft, zal ze proberen op te lossen. Hierbij gaat ze geregeld ‘buiten haar boekje’ en wordt daarmee soms wat bemoeizuchtig en drammerig.

3.3 de Symbioot in contact.

Het contact met de Symbioot is prettig. Ze kan met iedereen overweg, is geïnteresseerd en draagt bij aan de harmonie. In de groep is ze goud waard: ze betrekt iedereen, ondersteund de collectieve besluiten en zorgt voor de onderlinge verbinding.

Als je haar in verschillende samenstellingen kent, zie je dat ze als kameleon in elke omgeving anders is. Ze laat vooral de kleuren zien die binnen die groep geaccepteerd zijn. Ze zijn beschermend en ontwijkend over de eigenschappen die minder goed passen. Ze lijken daardoor wat onecht. Onecht is hierin betrekkelijk: ze heeft weinig idee van wie ze werkelijk is en kan daar dus ook moeilijk bewust ontrouw aan zijn.

Door het gebrek aan afscheiding en haar enorme vermogen te voelen waar jij uithangt, komt ze wel eens te dichtbij. Ze komt zo dichtbij met hun aandacht dat het indringend voelt. Zeker ook omdat ze alles wil oplossen wat daar ‘mis’ zit.

In relaties verlangt de Symbioot naar voortdurende nabijheid. Het is haar dan niet altijd duidelijk wat ze van je wilt, zolang je maar dichtbij bent. Jouw verlangen om iets anders te doen, voelt al snel als verraad en kan leiden tot ruzie en drama. Paradoxaal genoeg kan zij ook ongemakkelijk worden als jij te dichtbij komt. Hoewel ze het zelf dus niet kan laten (te) dichtbij te komen, wil ze niet dat je haar op de huid zit.

3.4 Oorsprong

3.3.1 Ontwikkelingspsychologie
Aan het eind van het eerste levensjaar ontwikkelt het kind zijn eerste idee van autonomie. Er komt een besef van een ‘ik’. Het oefent onvermoeibaar om te leren kruipen en lopen. In deze avonturen beweegt het tussen zelf oefenen en dan weer verbinding (en vaak troost) zoeken bij zijn ouders. Zo versterkt het kind het idee dat het het zélf kan én dat er steun voor hem is. Het verlangt naar de aanmoediging van zijn ouders in het ontdekken van alles wat de wereld het te bieden heeft.

Als de ouders te beschermend zijn en alle gevaren en moeilijkheden voor het kind proberen weg te nemen, ervaart het geen overwinningen in het ‘zelf doen’. Als de buitenwereld voornamelijk als gevaarlijk wordt bestempeld, mist het de aanmoediging van de glinsterende ogen van zijn ouders en voelt zich geremd in het onderzoeken en ontdekken.

Het ontdekken van zijn autonomie kan nog verder ondermijnd worden door dreigementen van afscheiding. “Als je nu niet mee gaat, laat ik je hier achter” is gebruikelijke zin voor haar ouders. Het krijgt hierdoor het idee dat het zelf niets in te brengen heeft en eigendom van zijn ouders is. Het verlangen om eigenheid te ontwikkelen wordt hiermee in de kiem gesmoord.

3.4.2 Systemische invloeden

De angst voor autonomie gaat verder dan alleen in de ouder-kindrelatie. Het speelt meestal door verschillende generaties heen. De angst voor eigen plek en ruimte wordt doorgegeven van generatie op generatie.

Door het gebrek aan afbakening en autonomie staat iedereen op de verkeerde plek. Er is grote verwarring over wie er voor wie hoort te zorgen en bij wie de problemen en trauma’s thuishoren. Zo stelt de Symbioot zich vaak op als het middelpunt van de familiedynamiek en voelt zich daarmee gerechtigd om zich te bemoeien met problemen van voorgaande generaties. De geheimen die daar verhuld worden moeten kost wat kost openbaard worden.

In het ontdekken van hun autonomie komt de Symbioot veel schuldgevoel tegen. Ze voelt de afscheiding van hun familieleden die nooit die autonomie hebben kunnen ontdekken. Het is daarom soms gemakkelijker om te blijven zitten in de symbiose en de gebondenheid.

3.5 Taak

3.5.1 Eigenheid ontwikkelen
De Symbioot heeft alsnog haar autonomie en eigenheid te ontdekken. Ze moet de tijd nemen om te ontdekken wie ze is als ze niet in contact met anderen is. Hiervoor moet ze door de angst voor alleen-zijn en afscheiding heen. Hoe meer ze doorkrijgt wie ze eigenlijk is, hoe meer bodem er onder haar bestaan komt. Keuzes maken en bij haarzelf blijven in contact wordt gemakkelijker.

3.5.2 Afbakenen
Als ze meer haar eigen ruimte krijgt, wordt het ook gemakkelijker onderscheid te maken tussen verantwoordelijkheden. Ze krijgt meer zicht op wat haar aandeel is en wat ze bij de ander mag laten. Ze heeft hiervoor vaak iets in haar familiegeschiedenis te laten: ze heeft te accepteren dat het niet aan haar is om het grote familiegeheim te onthullen. Als ze haar systeem leert te nemen zoals het is, komt ze op de juiste plek te staan binnen haar gezin van herkomst. Daarmee wordt de plek ten opzichte van vrienden of werk ook helderder. Het contact wordt waarachtiger en gelijkwaardiger en de kluwen wol zonder begin of eind komt uit de knoop.

3.5.3 Genoegen nemen met minder
De prijs van de eigenheid en afgrenzing is dat connecties iets van hun diepte en volledigheid verliezen. Door de eigen bodem en afbakening komt ze nooit meer zo dichtbij als vroeger.